15-03-06

KOEN DEGROOTE OP BEZOEK BIJ ALBERT LEOPOLD DEKEYSER

Koenraad Degroote loopt nog af en toe eens langs bij Albert Leopold Dekeyser, de voormalige burgemeester van Dentergem.  Die morgen waren hij en zijn vrouw thuis, en we hadden met die voormalige burgemeester, die zich in de omgang Pol laat noemen, met zijn vrouw en met Koenraad Degroote ter plekke een babbel.

 

Dat zijn hier eigenlijk twee burgemeesters samen?

ALD: Geweest.  Hij is dat nog altijd.

U was burgemeester van Dentergem?

ALD: Ja, voor de fusie hé, van ’71 tot ’77. 

KD: En nadien altijd in de gemeenteraad en schepen geweest en nog altijd in de gemeenteraad.

ALD: Achttien jaar schepen geweest en ik ben nog in de gemeenteraad tot…

KD: Tot met nieuwjaar hé.

Zij:  Tot nieuwjaar hé.

ALD: Ik heb vijfendertig jaar dienst.  Kan ik daarvoor betaald worden van ulder?   

Wacht…Ik zal dat meteen… Of neenee, de burgemeester zal dat uitbetalen hé.

ALD: 35 jaar dienst.

KD:  Als de televisie daar wilt voor gaan, dat ware het spel hé Pol.

ALD: Het is de helft van mijn leven, 35 jaar.

KD: Maar ge zijt 80 van de jare, het is nog de helft niet.

ALD: Augustus.  80 jaar, ik kan dat niet peinzen.

KD: Doe der gij nog een stuk of tiene bij en…

ALD: Ik zal al lang gunter zijn… 

KD: Niet pessimist zijn hé.

ALD: Ja, het is waar, maar als de jaren daar zijn burgemeester bij neer leggen hé.  Ik legge er mij niet graag bij neer hé.  Ik weet dat.

KD: Gelijk dat uw café goed trekt nu.

Zij: Het is een schone wereld hé nu.

ALD: Als we nog mogen een beetje gezond blijven, is het ideaal.  Dat is het bijzonderste. 

Was u niet liever zelf nog burgemeester geweest?

ALD: Hoe zeg je? Zeg dat nog een keer.

Was u niet liever zelf nog burgemeester geweest?

ALD:  Neen, ik ben daar eerlijk in, als de fusie is aangekomen, in ’77,  ik had pertank meest stemmen zunne, maar ik was het liever niet meer.  Ik ben dan voor eerste schepen gegaan, omdat ik zegge: ‘nondedju vier gemeenten’,  en ik die geren een keer naar de paardenkoers ging, ik zeg, ge moet dan nievers meer gaan.

Ja, het is waar hé,

ALD: En ik had er mij al zes jaar voor ingezet,  ik weet wat daet dat is burgemeester zijn, want ik heb me wreed ingezet van ’71 tot ’77,  en mijn eerste dingk dat ik gedaan heb, mijn eerste opmerking dat ik gemaakt heb, was die sociale woningen dat we gebouwd hebben, wnt ze zeiden altijd, in Dentergem, er gaan nooit gene komen. En ik zeg, ge moet dat juist tegen mij zeggen….  En in ’72…  de bulldozer zat er al in, en de mensen geloofden het nog niet.  Dat ze zo zeker waren dat er geen gingen komen.  Maar ik heb het graag gedaan hoor, in die jaren buiten de fusie.   Ik wierde van alleman geren gezien wè.  Maar ik heb me vele ingezet ook zulle.  Stedebouw Brugge, Gent, en dan Brussel, voor die huizen. De eerste zes jaar, ik heb vele gewerkt, en ik heb het geren gedaan ook. 

Maar met vier gemeenten, het is niet te doen hé.  Ge hebt geen leven meer hé.

ALD : En ik die, gelijk dat ik zegge, geren naar de paardekoers ging…

Zij: Ge moet daarvoor jong zijn hé.

ALD: Maar vier gemeenten…

Ge hebt geen leven hé, ge hebt geen leven.

ALD: En ik wist wat dat het was hé, ik zeg ‘nondedju’, de mensen hele dagen aan mijn deure, één aan de voordeure, één aan de achterdeure,

Hij kan er nog om lachen maar het is wel zo hé.

KD: Ja maar ja,…

Zij: Hij weet het wel (lacht)

ALD: jongen, ge hebt gij gelijk geen burgemeester geweest zeker?

Ik heb er al veel ontmoet hé.

ALD: Ja, het is juist.

KD: We zijn ver aan het einde van de rit.

ALD: Het einde van het jaar is het weer gedaan, oktober.  Jaja, het zal daar rap gaan zijn, binnen een maand of acht. 

Hij heeft gelijk hé, het is geen leven hé.

ALD: Ja, in mijne tijd, over zes jaar, dat was feitelijk voor de eer hé. 

Ah, dat was voor de eer?

ALD: Burgemeester zijn? Ba jaat…

Ah, het is daarom dat ze dat doen.  Ja, is het waar, is het voor de eer…?

ALD: Nu is dat verbeterd.

Is dat voor de eer dat je dat doet?

KD: Toch een deel hé, toch een deel. Dat zit in u. Dat zit in u. Dorpspolitiek is een microbe, dat zit in u of dat zit niet in u.

ALD: Maar in mijn tijd was dat voor de eer. Over dertig jaar, vijfendertig jaar, ja, we hadden maar een panne ges.

U had maar wat?

ALD: Een panne ges voor oes inkomen.

KD: Een burgemeester verdiende in jaren, dat was 20.000. frank, oude Belgische frank, per jaar.  Of 29.000. Per jaar was dat toen.

Per jaar?

KD: En hij gaf dat toen nog af aan zijn onderpastoor hier.

ALD: Ja, voor de bouw van zijn jeugdcentrum.

KD: Waar dat we straks naartoe gaan.

En van wat leefde u toen zelf?

Zij: Hij deed nog commerce hé.

ALD: Ik deed nog commerce hé.  Varkenshandelaar.  In de zwiens…  In de zwiens.

KD: En blijkbaar heeft hij niet slecht geboerd zuh.

ALD: Ik deed hele nachten commerce.  Dat was aanvoeren vanuit Sint-Denijs met zwijns, en te negenen was ik al op het gemeentehuis. Alle dagen. En het is omdat ik hem graag zie dat hij daar ook alle dagen is.  Dat zie ik graag.

Ja maar ja.  U zegt: varkenshandelaar, mensen zouden zeggen: vuil werk, maar hij doet nog vuiler werk, hij is advocaat.

ALD: Ja, maar ja, het is veel verschil in het werk, de zwijnen buiten advocaat zijn.  Maar hij doet het goed, eerlijk, ik moet het zeggen: hij doet het excellent goed.

En gebeurt dat zo meer dat u eens langskomt voor een glas, ja, champagne natuurlijk.

KD: O, regelmatig zo, als ik van het gemeentehuis kom, ja. Ge moet een keer een beetje berichten doorgeven aan Pol uzzo…Of om iets te weten te komen.  Want na de fusie was dat nog een beetje zo, elk zijn gemeente, maar nu geleidelijk aan, dat groeit naar elkaar hé, dat groeit naar elkaar. 

Maar u blijft eigenlijk altijd een beetje de burgemeester van Dentergem.

ALD: In een zin ja. Ik heb de titel van ereburgemeester hé, maar het brengt ook niets op hé jongen.  Weer wat voor de eer.

Maar die burgemeesterstitel, die brengt ook niets op.

ALD: Nee, nee, maar ja, gow ja.

KD: Daar praten we niet van hé.

ALD:  Ik heb het altijd graag gedaan, ik heb me altijd ingezet voor de gemeente, voor de mensen, dan nog voor veel mensen buiten de gemeente, naar Gent, naar stedenbouw in de tijd, …

KD: Toen hij ereburgemeester werd, is er daar dus een ministerieel besluit moeten voor komen, en hij kon geen aanspraak maken op die titel, omdat de wet toen zei, dat je eerst dus zes jaar raadslid of schepen moest geweest zijn, en pas nadien burgemeester. En hij was van de eerste keer, van zijn eerste verkiezing burgemeester geworden, zodanig dat ze het decreet hebben moeten aanpassen, om hem de titel ereburgemeester te kunnen geven en dat decreet, die die materie regelt, heeft zo een beetje de bijnaam gekregen in het parlement: het decreet Dekeyser.  En zo is hij ereburgemeester geworden hé. Dat was er nog rap door hé Pol.  Dus hij wordt, hij werd veel eer aangedaan hé.

ALD: Maar ja, ik heb er veel voor gedaan ook hoor, ik moet het eerlijk zeggen, voor de mensen.  Maar allez, gow.

Ja, en in uw tijd, het was allemaal voor de eer, maar er kon ook nog eens wat meer geregeld worden, meer gefoefeld en zo.

ALD: Gefoefeld?

Allez, vroeger had dat toch de naam, zo van: er kon veel geregeld worden.

ALD: Neenee, ik heb altijd rap gestaan voor stedenbouw, bij de provincie waterlopen, en...

KD: Maar Pol, jij hebt nog de tijd meegemaakt, dat de burgemeester met een hesp naar Brussel gingen hé.

Ha ja, hij was varkenshandelaar ook hé, ha ja. Hij ging waarschijnlijk overal met zijn hesp.

Zij: Ze refuseerden ze toch niet hé.  Ze hebben niet gerefuseerd. (lacht)

Wie heeft er allemaal hesp gekregen van u?

Zij: Goh, dat weet je niet hé.

ALD: Stop daar maar mee. Ze zouden wel peinzen dat ik het al uitkochte.

Maar het is niet waar…

ALD: Ik heb altijd gestaan voor relaties, en ik had rap relaties, en nog, ik heb er nog mijn plezier in.

Neeneenee, vroeger heerste dat meer, allez, was dat meer deel van de politieke cultuur.  Er kon gewoon meer. Nu ligt alles veel vaster toch hé?

ALD: Nu, goddedju ja.

Toen werd het bijna verwacht van een burgemeester dat hij af en toe eens iets regelde hé, dat was deel van de cultuur, allez ja.

ALD: Ah, dat was euh…

Eigenlijk vond ik dat… Allez, als je dat wel bekijkt, was dat in zekere zin charmanter en gezelliger hé.

ALD: Absoluut.

KD: Het was wel gezelliger, maar natuurlijk, er zijn aan alles grenzen hé.  Het moet een beetje toch op iets trekken hé.

Maar hebben we nu niet de neiging om een beetje te over euh…te overregulariseren.

KD:  Nu is er overreglementering en dat is zeker niet leuk hé.  Ge kunt niets meer vlot doen, en het is zoals ge zegt, de mensen verwachten nochtans dat je het kunt regelen, en ze gaan het dan vergelijken met iemand anders en zeggen: ‘Jaja, maar die kan dat wel en die kan dat wel.’

Den oude burgemeester, die kon nog iets regelen.

KD: Of die kon dat, of in de tijd van den dienen ging dat wel. Zo redeneren de mensen.  Dus ze steken u zo in een keurslijf van: gij zou dat ook moeten kunnen hé.  En sommigen begrijpen dat dat er daar bepaalde reglementen aan zijn dat gij ook moet volgen, maar anderen, anderen begrijpen date niet, en dat er zaken zijn die veranderd zijn.  Bijvoorbeeld één zaak: een toewijs van een sociale woning. Ja, vroeger was dat zo: de afgevaardigden of de burgemeester kon beslissen…

ALD: Ik deed dat overal zelve…

KD: Het gaat den dien zijn die in die woning komt.  Maar nu is dat gans anders hé, er is daar een ganse lijst, er is een commissie daaromtrent, er zijn verschillende besluiten, reglementen die moeten gevolgd worden, en dan begrijpen sommige mensen dat niet hé. En vroeger ging ik wel die woning gekregen hebben, maar nu gaat dat niet meer.  Inderdaad, het gaat niet zo eenvoudig meer, maar wij zijn gebonden aan reglementen.

ALD: Maar in mijn tijd was dat allemaal veel makkelijker. 

KD: Het is dat dat er bedoeld wordt hé.

Het is dat dat ik zeg van: dat was charmanter.

ALD:  Absoluut.  We bouwden wij die sociale woning, en ik had die sociale woning in mijn hand van de mensen te geven of te verhuren.  Ha ja, dat is heel veranderd hé.

Met al die advocaten hé…

ALD: Hoe zeg je?

De schuld van al die advocaten…

ALD: Absoluut, maar ik heb het ook al gezegd. Hij doet dat heel goed, hij is advocaat, maar gow, hij heeft de bekwaamheid en hij doet dat heel goed. Je hebt ook al veel bekomen hé, jongen.  Je hebt ook al veel bekomen.

KD: Dat gaat wel.  Dat gaat wel hé.

U kent de hesp ook nog…

KD: Ik eet ze zelf op, ik eet ze zelf op, de hesp, we eten nog graag hesp, zodus…

 

 

KD: Als ik tien jaar was, was ik misdienaar, en dat is in feite, dat lector zijn is nog een uitvloeisel daarvan.  Nu al in feite vijfendertig jaar dat ik dat doe. Zodus ja.

Ja, een goeie katholiek hé.

ALD: Jamaar jamaar, de kerke, jongen, hij doet dat goed met de paster hé.  Over zoveel jaren zeiden ze, als je dat goed doet met de paster en met de nonnekes, gow, surtourt als je in de politiek ging, dan moest je die nog een beetje mee hebben in die tijd zulle…

Ah, en vandaar dat u het goed bent blijven doen met de nonnetjes.

ALD: Maar ge moogt ze niet tegen hebben hoor anders oeioei…

Maar nu is dat niet meer zo.

KD: Neenee…Die tijd is veranderd hé, maar natuurlijk als je een goeie relatie onderhoudt met die mensen

Het zijn ook stemmen hé.

KD: Maar het gaat hem daar niet over.  Ik heb kik liever geen miserie.

Maar het is toch zo, ge moet eigenlijk voortdurend als burgemeester aan je stemmen denken hé.

ALD: Dat is waar… Ge moet gij aan alles denken, als je gij in de politiek staat…

KD: Moet je gij aan alles denken hé

Ze zeggen dat soms: het moment dat de verkiezingen gedaan zijn, begint voor een burgemeester alweer de volgende verkiezing hé.

KD: Bij ons is dat zo.

ALD: Maar dat is normaal zo.

KD: Daags na de vorige verkiezingen beginnen de nieuwe, anders gaat het niet.

Je moet eigenlijk… Dat is eigenlijk… allez, je moet eigenlijk constant denken aan herverkozen worden.  Dat is zo een beetje… Dat spreekt mekaar een beetje tegen.

ALD: Maar als je gij dat goed doet…

KD: Dat moet gewoon in u zitten. Als dat niet in u zit, en als ge u moet forceren, en als ge u moet forceren in functie van een bepaalde verkiezingsperiode, wel vergeet het dan, dat gaat uitkomen,  de mensen gaan ook zeggen, die doet dat niet met hart en ziel.  Het moet dat met hart en ziel kunnen doen en dat moet spontaan gebeuren. 

En dat zit in u eigenlijk?  Waar zit dat? 

KD: Ik weet het zelf niet.

Weet u waar dat zit bij hem?

KD: Ik zeg niet dat dat in mij zit, het zijn de mensen die moeten oordelen of dat dat in u zit.  Ik zeg: Als dat niet zo is, wel vergeet het dan, als het geforceerd overkomt, dan zult ge dan niet graag doen.

ALD: Maar als de mens dat graag doet en dat goed doet, kan er bijna geen probleem zijn.

Waarom doet u dat graag?

KD: Wablief?

Waarom doet u dat graag?

KD: Welnee, dat is van jongsaf aan hé.  Ik was nog maar 22 jaar en dat was al begonnen, ja.

ALD: De eerste keer op 22 jaar?

KD: Ja.

ALD: Kijk, voila.

KD: Jajaja, we stonden toen nog tegen elkaar. 

Oei!

KD: (lacht) We hebben nog een keer tegen elkaar gestaan.

Is het waar?

KD: In het jaar ’82 hé Pol?  Maar we hebben mekaar rap gevonden.

ALD: ’82, en het is dan in ’88 dat we toen samen… 

En was het toen oorlog in ’82?

KD: Neenee, oorlog was het niet hé.

ALD: Neen, gene Krieg, gene Krieg, gene Krieg.  Maar in ’88 zijn we dan samen gegaan, en we hebben wij dan van den eerste keer…

KD: Onmiddellijk dertien zetels.

ALD: Ja, zo de meerderheid gehad hé.

KD:  Zodus… En we zijn er nog.

ALD: En ik moet afgaan van de ouderdom.

En zei u niet op die… op dat moment, zo van: ja, die snotneus?

ALD: Neeneenee, dat heb ik nooit gezeid.

U hebt het gedacht?

KD: lacht

ALD: Neenee, ik heb hem altijd aanzien als een goeie kerel om die stiel uit te voeren: rap en knap.  En overal bij.  Jamaar, jamaar, ik heb hem altijd bewonderd daarvoor…

Ja maar…Waarom?  Waarom is hij daar zo goed voor?  Het is een gladde natuurlijk, het is een advocaat.

ALD: Ja, hij mag advocaat zijn, maar het is een werker.

Het is een werker.

ALD: Het is een werker. Op een andere manier hé.  De werker op de gemeente.  Het onderhoud met de mensen.  Hoeveel keren zit hij ook zonder mensen op zijn bureautje?  Hoeveel keer zou dat zonder zijn? Er zijn er altijd. Je moet het tegen mij niet zeggen, ik weet het genoeg.

Maar ik zeg het niet, het is u die het zegt.

ALD: Wablieft?

U bent het die het zegt.  Ik moet het tegen u niet zeggen, u zegt het.

ALD: JA, ik weet het.  Jamaar, ik weet wat het is hé, ik heb er ook in gestaan, ik zeg het, één aan de voordeur, één aan de achterdeur, en één aan mijn telefoon, in den tijd…

En nu met de gsm, dan nog één aan de gsm ook? 

ALD: Dat bestond niet.

Het is dat.  Het zijn nu vier gemeenten, en er is dan gsm, en dan emails op de computer, en dan nog… het houdt niet meer op hé.

ALD: Nu?  Nee.  Maar in mijne tijd was het nog gemakkelijk.  Het was nog plezierig. 

Nu is het niet meer plezierig eigenlijk hé.

ALD: Niet zo plezierig hé, de mensen verlangen alles van u hé.  Alles verlangen ze hé.

En nooit een merci.

KD: Wablief.

Nooit een merci.

KD: Och, dat gebeurt wel.

ALD: Maar ik heb nog mensen die dankbaar zijn zulle.  Je hebt nog mensen, absoluut. 

KD: Ge hebt gij van soorten hé.

ALD: Maar ge hebt andere ook hé.

KD: Het is normaal hé.

ALD: Ba ja, ge beleeft daar nog een keer een beetje plezier aan, als je wat dankbaarheid hebt, nietwaar?

Allez, maar u bent blij dat u burgemeester geweest bent?

ALD: Jaja, jamaar ik heb het graag gedaan hoor.   Pas op. Surtout voor de fusie.  Dat was een plezier voor de fusie, nietwaar.  Is er nooit die fusie, dan ben ik misschien nog burgemeester.  Ik had veel kans. Maar ja, met de fusie, ik heb zelf mij een beetje opgegeven, dju toch, ik zegge, vier gemeenten, wanneer ga ik nog rust hebben?  En ja, ik zat dan nog in mijn commerce, ’s nachts mijn zwijnen gaan halen.  

Ja, u heeft geen varkens, maar u hebt wel constant cliënten hé die u lastig vallen.

Zij: Ah ja hé, dat is een andere stiel.

KD: Dat zal wel, maar ik zeg het hé, ge moet bezig zijn hé, dagdagelijks, van ’s morgensvroeg tot ’s avonds laat, het is maar zo en dan als ge er veel tijd kunt in steken, zowel in uw beroep als in de politiek, het is maar daardoor dat.

En zijn cliënten die knorren nog meer dan de varkens hoor.  Dat is wat hoor.

KD: Er zijn mensen die soms veeleisend kunnen zijn hé, iedereen weet dat hé, maar ge moet daar allemaal mee kunnen leven. 

Tja, het is makkelijk gezegd hé.

KD: En gelukkig dat we het kunnen meemaken allemaal, want als ge daar zit, of ongezond zijt, of ziek, of gelijk wat, het gaat ook wat zijn, we hebben wel problemen op te lossen, maar dat we ze kunnen oplossen, dat is ideaal.

ALD: En ge moet de goeie jaren hebben hé, burgemeester, de goeie jaren, gelijk gij, nietwaar?  Actief nog, schone jaren, aan het eind van de veertig.

KD: Zesenveertig.

ALD: Zesenveertig jaar, voila.

KD: Zesenveertig jaar nog.

Het is nu dat hij er moet van profiteren hé.

ALD: Kijk, hij is al achttien jaar burgemeester, en ik ging maar in de politiek aan 46 jaar.  Ik was 44 jaar.  Ha ja, 35 jaar, ik ben 79 jaar, het is juist, … Ja, ge zijt gulder kadetten hé manneke.

Neenee, miniemen.

Jaja, hij was er zo vroeg bij, hoe zeggen ze dat in het Engels?  Het is eigenlijk een wonderboy hé.  Nooit gedacht om nationaal te gaan? 

ALD: Ja,gij zoudt daar misschien wel geraken, jongen, ge hebt bekwaamheid, ge hebt geleerdheid, ja maar ja.

KD: Ja maar, zeg, het is het één of het ander zuh.  Hier op een dorp of een gemeente is er altijd iets te doen, als je dat goed wilt doen, en als ge dan nog een keer naar Brussel moet gaan , ja, dat zou niet voor mij zijn.  Dat zou niet voor mij zijn. We gaan dat houden zoals dat is, en ik ben al zeer content aan die kleine politiek te kunnen verder doen.

ALD: Ja, het is juist.  En ik was ook content dat ik kon vertrekken, als burgemeester, van de eerste keer.  Dat hadden ze ook nog niet veel tegenkomen hé, ik geef mij aan en van de eerste keer… Hoelang heb ik naar school geweest?  Tot dertien jaar nalf zeker?  En ik heb dan nog in het college gezeten, en ik heb daar dan nog weggelopen.  In Moeskroen. 

KD: Wilde je geen Frans leren?

ALD: Ik was er de man niet voor.  Mijn vader had koersepaarden en ik was toppezot voor bij die paarden te zijn, nietwaar.

KD: En ge liep weg uit het college?

ALD: Ja, ik liep weg… Dat was toen…

KD: GE waart gij al het enfant terrible…

ALD: Dat was hier nogal een beetje van een spel in Dentergem.  Dat is weggelopen was. 

KD: En als schoolverlater toch burgemeester geraakt? (lacht)

ALD: Ja, ik heb dat altijd gedaan, burgemeester, ik ga een keer zeggen, niet met mijn geleerdheid, maar wel als commercant.  Gow. Als commercie. Voor de gemeente.

Hij niet, hij deed het louter met zijn geleerdheid.

ALD: Ja, maar hij heeft bekwaamheid hé.  Die bekwaamheid heeft hij nu meer nodig dan in mijn tijd.  Dat was dan de secretaire die alles regelde, nietwaar.   Dat was heel anders.   

09:00 Gepost door Microman | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.