06-03-06

PAUL VANHIE DOET VERDER

PV: Ik hoor niet goed, ik ben een beetje hardhorig en ik praat altijd luid, en iedereen denkt dan als ik tegen hen bezig ben, dat ik kwaad ben, maar ik ben nooit kwaad.  Nooit.

Is het echt?

PV: Jaja, ik ben nooit kwaad

U bent toch temperamentvol. 

PV: Ik ben een beetje impulsief.  Dat wel, en dat moet je zijn.  En dat kan ik niet veranderen.  Dat is mijn karakter en mijn aard.  Ik kan dat niet veranderen.  En iedereen kent me zo een beetje.  En dan weten ze ook als ik euh, impulsief ben, en ze zeggen: ‘Ja, we hebben hem kwaad gekregen,’ dus, dat is geen waar, dat is gewoon mijn temperament, die bovenkomt.

Ah, u bent eigenlijk van nature een beetje een lawaaimaker.

PV: Jaja, altijd geweest zelfs.

En thuis hier ook zo?

Katrien: Ja, ja.

PV: Nee. Hier heb ik niets te zeggen, hier heb ik niets te zeggen.

Ja hoor ik zeggen.  Ja, is het een lawaaimaker thuis ook?

PV: Katrien, het is tegen gie hé.

Katrien: Wel, dat kan soms een keer gebeuren hé.

PV: Het is daarvoor, ik ben niet veel thuis, er is hier niet veel lawaai hé. (lacht)   Dat is afgesproken met mijn vrouw…

Zeg burgemeester, maar hoe is het nu met uw gezondheid, want u hebt onlangs last gehad van een lichte kortsluiting, mogen we zeggen.

PV: Ja, een lichte kortsluiting.  Een hartinfarct. Maar dat is allemaal verleden tijd.

Maar dat is toch wel serieus schrikken zeker?

PV: Dat is schrikken, dat is benauwdheid.   Dat is euh… Hoe stond het in de krant? ‘Ik had de tenen van Sint-Pieter gezien.’  En eerlijk gezegd, ze roken niet te best, ik ben teruggekeerd. Ik zeg: ‘Ik ga nog een einde op de wereld blijven’, nog een einde op de wereld blijven om nog wat zaken af te handelen, en dan mogen ze achter mij komen. Het mag nog lang duren. De dokter had gezegd: ‘Ge kunt dat maar één keer krijgen in 50 jaar, en den derde keer ben je dood.  Dus, het belooft, ik denk dat ik er 150 zal geraken (lacht).

Ik zou daar bang van worden, zo van, mij beginnen afvragen: ‘Waar ben ik mee bezig?’

PV: Ja, maar dat, ik moet eerlijk zeggen, als je dat tegenkomt, dan leer je wel vlug relativeren, en stel je wel de vraag  ‘wat doen wij hier feitelijk nog allemaal?’  En ook de manier, ge probeert voor iedereen wel te doen, ge weet dat het niet voor iedereen wel kan zijn, voor bepaalde mensen zelfs kunt ge nooit iets goeds doen, dan begin je wel zich af te vragen ‘waarom doen we het?’  We gaan toch wel rustiger aan leven, en we gaan ons geen zorgen meer maken, we gaan die stress van ons af zetten, en we gaan beter slapen, dat zijn allemaal goeie voornemens, maar als ge daar in slaagt, dat is iets anders, en ik denk dat ik toch allez met dat tegen te komen, beter kan relativeren, en zeggen ‘ik ga het me niet aantrekken’.

U kunt niet relativeren.

PV: Ik ga je tegenspreken in die zin, als je dat krijgt, dan kun je plots wel vlug relativeren. Want vroeger…  Ge doet dat niet, ge denkt, ge doet het goed, en ge pakt die stress mee,  en ge komt thuis en ge kunt niet slapen omdat ge bezig zijt met bepaalde zaken, maar dan kun je dat plots wel, ge zegt: ‘Foert, ik ga er mijn voeten aan vagen’, we proberen het goed te doen met het college, met gans het gemeentebestuur, we proberen dat goed te doen, als de mensen dat niet accepteren, het is toch altijd maar een bepaalde groep mensen die altijd voelen dat ze aangevallen worden, of niet, en dat is niet zo, we moeten proberen voor gans de maatschappij… ik ben niet die man die de mensen in kastjes gaan gaan steken, neen, het is voor iedereen.  En als we iets beslissen, en het is voor iedereen, ook, dus moet ik me geen zorgen erover maken. En dat deed ik vroeger wel.  En dat probeer ik nu zo te regelen dat ik me niet meer nerveus te maken in al die zaken.  

En hoe hebt u dat eigenlijk gekregen, door u van alles aan te trekken, van de stress eigenlijk?

PV: Bah, van wat krijgt ge dat? Er is niemand die daar achter vraagt, ge krijgt dat zo, cadeau, dat is gratis, dat is gratis.  Ik had juist gedaan met nog een woordje te zeggen op een nieuwjaarsreceptie, en dan begon dat hier dicht te trekken, en mijn linkerrrm begon pijn te doen, en ja, ik had, ik was kort van adem, en ik zeg, ja, in mezelf, omdat ik toch kinesist ben en de symptomen van een hartinfarct onderken,  ik zeg: ‘Ja, ik moet hier buiten, ik moet hier weg, ik moet naar een dokter.’ En dan rondgereden om een huisarts te vinden, en de vierde was thuis.  Niet dat die mensen moeten thuisblijven omdat mijnheer de burgemeester een hartinfarct aan het doen is, dat niet, maar dat was een zondag, en ik ging binnen bij de dokter en ik zeg: ‘Jong, ik ben aan het doodvallen,’ en ik had dat bewust gedaan, ik zeg, ik zou moeten doodvallen, en ik ben bij een dokter, ik zou mijn hart een injectie geven, en dat hart zal kloppen.  Ge moogt geen drie minuten zonder zuurstof zitten, dan ben je eraan.  Dus.  Ik dacht: Als ik dat kan doen …  Nu die dokter heeft flink geholpen en als ik aankwam in het ziekenhuis, iedereen stond daar klaar al.  Dat is perfect verlopen.  Maar het is benauwelijk.  Schrikken, je hebt geen tijd om te schrikken, het is echt benauwd zijn.  Wat gaat er hier nu gebeuren met mij hé?  Als de dokter zegt: Kijk, we gaan een katalysatie doen, als er een verstopping zit, we gaan proberen het door te blazen, een ‘standje’ te steken eventueel, lukt dat niet, zegt hij, dan gaan we u direct opereren.  Jongens, dat was al wat minder.  Dat is al wat meer paniek.  Mijn kas opendoen.  Heel dat spel daar blootleggen.  ‘Ga ik daar uitkomen?  Ga ik daar niet uitkomen?’  Maar goed, alles is goed verlopen.  Ja, op het moment dat ze die stand gestoken hebben, had ik geen pijn meer, voelde ik me optimaal, dus het was… Hij heeft me dat allemaal goed uitgelegd.  Het enigste negatieve dat er daar aan is , dat ik in gans mijn leven misschien tien pillen geslikt heb, en dat ik er nu vandaag voor de rest van mijn dagen 6 à 10 dagelijks moet slikken.  Bloedverdunners en bètablokkers en wat weet ik allemaal.  Maar goed, ik ga doen wat de dokter zegt hé.

En u bent gestopt met roken ook.

PV: Wablief?

U bent gestopt met roken ook.

PV: Ja.  Dat is nog het ergste. Die pillen zijn erg, maar dat roken is nog het erger.  Ik was een roker, want het moment dat ik op die tafel lag, ik had nog niet gezegd dat ik rookte…

Maar hij rook het?

PV: Nee, neen, (lacht), neen, want ik had die morgen eerlijk gezegd misschien maar één sigaret gerookt omdat ik me niet goed voelde. En bij die katalysatie zegt ie:  ‘Mijnheer,’ zegt ie, ‘U bent een roker.’  Ik zeg: Ja.  Is het allemaal zwart misschien van binnen?  ‘Neen, uw hartinfarct is afkomstig daarvan,’ zegt ie, ‘en ook stress.’  Hoe dat hij dat kan zien, weet ik niet, maar ja gow, intussentijd wist hij ook dat ik burgemeester was en allemaal, en nu, hij heeft me verboden van te roken.  Tot op heden slaag ik daarin, maar het is zeer lastig.  Iemand die nog nooit gerookt heeft, kan dat niet beschrijven.

Maar ja, het komt eigenlijk goed uit.  Op uw bureau mocht u niet meer roken sinds begin januari.

PV: Neen, dat is wet geworden, en dat hebben we ook bewust op het gemeentehuis zo gedaan, want ge kon dat veel vroeger inlassen, maar mijn secretaris, de gemeentesecretaris, de burgemeester, een paar schepenen, goeie rokers, laten we het zo stellen, en wij hadden gezegd: ‘Op 1 januari gaan we niet meer roken.’  En iedereen zei: ‘Hoe gaan we dat doen?  Hoe zullen we dat doen?’ En nu, ik heb mijn hartinfarct gehad op 8 januari, en dus…

U had dat eigenlijk gepland zo een beetje?

PV: Ik zeg: ‘Als ik moet een hartinfarct doen, dan moet het in die periode gebeuren,’ (lacht), nu, de gemeentesecretaris is nog een grotere roker dan ikzelf.

Dat is mogelijk eigenlijk?  Want u was een verstokt roker.

PV: Boh, verstokte roker. Ik rookte veel.

Er zit hier iemand te knikken.  Hé, een verstokt roker hé, was ie.

Katrien: Jaja, een pakje tot twee pakjes per dag.

Dat is een verstokt roker, mogen we zeggen. 

PV: Vrouwe, ge meugt toch niet overdrijven hé.

Katrien: Hij stond ’s morgens op en zijn eerste werk was toch een sigaret opsteken.

PV: Meestal als ik…

Katrien: Van als je op stond ’s morgens…

PV: nerveus ben, of was, had ik wel een sigaret nodig.   Bijvoorbeeld in een vergadering kon ik dat uitstaan, maar direct na de vergadering was dat een sigaret opsteken, het is ook een gewoonte, maar het is hard, ik moet eerlijk, als je aan iets verslaafd zijt, ge moet die nicotine hebben, het is hard, en zeker op het moment dat je dan tussen de mensen komt, bijvoorbeeld op café of op een feest, en ge drinkt een pintje, dan moet je wel een keer goed doorbijten, maar voorlopig gaat het.  

Ja, geen pintje meer drinken hé, dan…

PV: Een pintje kan ik gemakkelijker laten dan een sigaret.

Zeg, en koffie, ik ben zo maar een beetje aan uw dieet aan het denken hé.

PV: Ik weet niet wanneer jij je diploma van dokter behaald hebt, om mij erop te wijzen: geen koffie, geen bier… Nee, de dokter heeft enkel en alleen gezegd: niet meer roken.

En koffie mag nog eigenlijk?

PV: Ja, hij heeft me niets verboden qua drank of eten, omdat hij heel goed weet,  allez, het afzweren van de sigaret een heel zware dobber is.  Hij zei: ‘Laat ons daar mee beginnen, dan gaan we wel een keer kijken naar je overgewicht.’ En inderdaad… Wel, ik ben ervan overtuigd, het is niet dat ik elke dag alcohol gebruik, maar euh, als wij al eens een biertje drinken, dat biertje hangt daar aan.  Dat is mijn constitutie.  Dat is zo van mijn vader geweest, dat is zo van mijn broers, willen wij wat bier drinken, dan verdikken we daar van. Maar, ik kan dat gerust laten staan. Want thuis,…

Ja, als burgemeester is dat ook moeilijk natuurlijk.

PV: Thuis, mijn vrouw kan dat getuigen, thuis drink ik nooit.  En mijn vader was, allez is bierhandelaar, en ik heb mijn vader nooit weten een pint bier drinken thuis.   En dat hebben we overgeërfd, maar als we dan op stap zijn, dan kan het wel een keer gebeuren dat we een keer doorzakken.  Ik denk dat iedereen dat een keer doet.

 

PV:  Ja, aan politiek doen, dat is een microbe.  Dat sluimert in u en een keer dat ge daarvan gebeten zijt, kun je dat maar moeilijk afzweren.  Een ongezond beroep?  Ge maakt het ongezond.  En het wordt soms u opgelegd.   Laten we zeggen: ge leeft als burgemeester, maar je wordt geleefd, ge moet overal naartoe gaan.  Ze vragen dat niet expliciet, maar als je er niet bent, dan spreken ze erover, als je er bent, dan spreken ze erover, ge zijt altijd iemand die in het spotlicht staat, dat je altijd goed moet opletten van wat dat je zegt, wat dat je doet, welke handeling dat je uithaalt , dat hij niet kwetsend mag zijn, dat hij altijd even vriendelijk moet proberen te zijn, en daarom zeg ik: ge leeft, maar ge wordt geleefd, ge wordt…

Het is eigenlijk geen toffe job.

PV: Jawel, jawel, jawel…

Ah neen…

PV: Ik ben opgevoed in euh… Mijn ouders waren sociaal bewogen en hebben altijd graag tussen het volk gezeten, en dat heb ik ook mee, ik zit graag tussen het volk. Soms dat mijn vrouw zegt: maar moet je gij altijd weg? 

Waar zit die hele dagen? Hé?

Katrien lacht.

Ik ken dat hé.

PV: Maar voor dat ik burgemeester was, was ik ook niet veel thuis, want dan zat ik in de sport, ik heb altijd mensen opgezocht…

Wil ie zeggen: hij heeft eigenlijk niet genoeg aan zijn vrouw. Hé?  Anders, anders zou hij meer in zijn kot blijven hé?

Katrien: Ja, dat mag je nu ook niet zeggen hé.

Anders zou hij meer in zijn kot blijven hé.

Katrien: Nee, hij is graag onder de mensen, hij is graag onder de mensen. Altijd geweest.  Voor zijne politiek ook al, altijd tussen het volk, in de sport… Wreed sociaal bewogen.  Het is zijn karakter hé, het is zijn karakter.  Hij kan niet thuis blijven. 

Jamaar, en hebt u…

Katrien: Hij heeft ook niet echt een hobby ook hé.   Hij heeft geen hobby thuis hé. Hij moet tussen de mensen zitten

En hebt u hem niet gezegd: ‘Jamaar, Polleke, ge zult toch wat moeten opletten, en dat doet eens wat rustiger aan,’.

Katrien: We hebben dat wel gezegd, maar ik denk niet dat dat veel gaat uithalen. Nee, dat is…

PV: Boh ja, ik weet niet.

Katrien: Maar neen, hij kan zich met niets bezighouden hé, hij kan zich niet bezighouden met…

Postzegels of sigarenbandjes…

Katrien: Maar neen, als hij dan thuis is, is het om op zijn bureau te zitten, om achter zijn computer te zitten, om terug papieren en dossiers te lezen.  Als hij thuis is, is het dan toch nog dossiers opendoen en kijken hoe of wat. 

PV: De zondag, als ik thuis ben de zondagnamiddag, maar dan zal ik ook uitsluitend naar sport kijken, allez, ik heb eerst actief aan sport gedaan, en dan passief zogezegd, maar ik zie alle sporten graag, ja, dan… mijn vrouw en mijn kinderen, ja, dat is meer naar soaps en al aan het kijken. Een goeie film zien ze ook graag, maar ik kan me daar eerlijk gezegd niet veel mee bezighouden, dan ga ik hier in mijn zetel liggen en kijk ik heel de namiddag naar sport en dan gaan mijn vrouw en mijn kinderen daar gaan zitten, bah, dat doet wel een keer deugd van alleen te zijn. Alleen te zijn… Allez, met dat hartinfarct te krijgen, ik moet bewegen van de dokter, dat wist ik ook al, en dan ga ik gaan wandelen naar Sterrenbos.  Ik moet eerlijk zeggen: Dat doet een keer deugd van alleen rond te lopen.  Ge denkt ook na, ge zijt bezig, maar een echte hobby heb ik niet.

U wilt zo graag alleen zijn?  Hoor je dat?

KAtrien (lacht): Neenee..

PV: Zeg maar uw gedacht wè vrouwe.

Katrien: Hij kan niet alleen zijn, hij kan niet alleen zijn. (lacht)

PV: Toet, toet, op die momenten wel…

Katrien: Nee. Nee.  Van als hij thuis komt, hij roept: ‘Ma, Julie, waar zit je?’ 

Ah, u bent ‘ma’.

Katrien: Ja.

Hebt u geen naam?

Katrien: Ja.

En hoe heet u?

Katrien: Katrien. 

En is het nooit van: Katrientje?

Katrien: Neen, het is meestal ‘ma’.

PV: Ma of Katrien, of…

Dat is helemaal niet sexy hé.

PV: Dat is naargelang de gemoedstoestand (lacht).

Allez burgemeester, ‘ma’, dat is helemaal niet sexy hé.  Het moment dat mijn vrouw ‘pa’ tegen mij zegt, sorry, ze zal haar beste tijd niet meemaken hé.

PV: Jamaar, je hebt gezegd dat je je vandaag voelt als één van 85, dus dat mag al pa zijn, dus ja, neen, Katrien, of ma. En het troetelnaampje was scheetje.

Dat is ook subtiel. En de hond heet ‘Whoopi’, naar een ‘Whoopi-cushion’, wat zoveel is als scheetkussen.

PV: Dat heb jij ons verteld, dat hebben wij niet uitgevonden. Ge moet weten dat mijn vrouw en mijn dochter verzot zijn op dieren.  En op het moment dat ik mij zwaar engageerde in de politiek hebben wij samen grond gekocht, landbouwgrond, om paarden op te steken en dat is de hobby van mijn vrouw en mijn dochter en papa mag dan nu en dan een keer gaan zorgen dat het een beetje proper ligt, het buitenwerk.

Zo hebt u ook een beetje een hobby hé.  En komt u eens buiten, dat is gezond.

PV: Ja, maar als je de omheining moet schilderen, dat is zwaar werk.

Katrien: Ik heb ook de helft geschilderd hé Pol.

PV: Dat zeg ik niet dat je niets gedaan hebt hé.  Maar neen, het zwaardere werk is voor de man.

U zult hem nu een beetje moeten sparen, want…. Wees er zuinig mee hé, want hij is teer en gelijk wat.  Zijn gezondheid heeft dat nu uitgewezen hé.

Katrien: Hij moet bewegen.

PV:  Als ik u hoor, dan ben ik nakende dood. 

Neenee, maar burgemeester, ge moet een beetje voorzichtig zijn hé.

PV: Ge voelt dat aan uzelf hé.  Ge voelt dat aan uzelf.  Ik moet wel zeggen dat ik vroeger ‘moe-er’ ben.  En dat ik, dat kan nog wel eens gebeuren dat het te laat wordt, maar heel laat, dat is verbeterd.

Katrien: Dat is toch verbeterd, hij is meer op tijd thuis, dat is waar, dat is toch wel verbeterd, er zijn positieve kanten aan ook.

Jaja, allez, het is dat…

Katrien: Hij heeft een verwittiging gehad, en er zijn toch wel dingen die een beetje veranderd zijn.

Dus dat roken is gestopt…

Katrien: Dat roken is gestopt.  Hij drinkt praktisch niet meer, hij komt vroeger thuis, het komt nog een ideale burgemeester.

Zeg maar, bent u content dat hij gestopt is met roken.

PV: Nee, want zij rookt ook. Zij rookt niet in het bijzijn van mij, niettegenstaande, allez, ze mag roken van mij.  

Katien: Neen, ge doet dat niet.

U bent ook gestopt eigenlijk.

Katrien: Ja.

PV: Zijt ge helegans gestopt eigenlijk?

Katrien: Ja, maar ja…

PV: Ja maar ja…  Ge zijt niet helemaal gestopt hé…

Zo niet.  Dat zijn typisch vrouwen hé.  Ik ben ook gestopt met roken.  Maar mijn vrouw: prrrrt…

Katrien: Nee, ik rook niet meer thuis, dus ik rook niet op mijn werk, zodus, wanneer moet je dan nog?

PV: In de wagen rook je.

Katrien: Dus ik zit tweemaal per dag in de wagen, naar mijn werk en om terug te keren, en het is al.  Dat kan je hoogstens twee…

PV: Dan ga je ’s avonds nog een keer uit met de hond en dan steek je ook een sigaret aan, maar goed, soit, iedereen doet zoals hij wil hé.

Katrien: We doen ons best om te stoppen.  We gaan het zo zeggen.

Neen, maar ik denk maar aan jullie gezondheid hé. Maar denkend aan die gezondheid, is er bij u geen gedachte opgekomen  van: ik stap uit de politiek, want u weet de stress komt daar vandaan. Grotendeels.

PV: Ik stap uit de politiek, voor dat ik dat gehad heb, had ik dat ook al gedacht, het gebeurt nog, dat is dan een slechte dag zeg ik, dat wij overladen zijn met problemen, of we geraken er niet uit of er moet zwaar gediscussieerd worden, of het is niet effen te praten, dan zie je het wel een keer niet meer zitten, dat je zegt: ‘Foert hé’.  Dan zou ik wel een keer een pint gaan drinken, niet die te veel gaan drinken, maar toch een keer een pint gaan drinken.  En dan moet er maar gewoon iemand een keer zeggen ‘we doen wij dat zo slecht niet’, en ge moet u dat niet aantrekken en allemaal, en dan geraak je daar weer bovenop,  en we gaan weer verderdoen. Maar er zijn momenten dat dat toch opkomt, dat je zegt: ‘Zou je geloven dat ik er toch zou willen mee stoppen?’  Want er zijn geestige zaken aan het burgemeestersschap, maar allez, het is een grote verantwoordelijkheid die je moet dragen maar niemand beseft dat.  Als burgemeester kun je elke dag feitelijk in jail geraken of kunnen ze je aanhouden omdat je verantwoordelijk zijt, omdat er iemand anders iets uitgestoken heeft, naar brandweer toe, veiligheid, alles komt op uw nek terecht.

En bent u daar zo mee bezig?  Of…

PV: Ja, ja.  Niet dat je benauwd zijt, van ik kan gestekt worden of… Neenee, dat niet, maar ge draagt die verantwoordelijkheid, ge probeert dat goed te doen, euh, maar dan krijg je dan van die zaken rond uw hoofd geslingerd, dat je zegt: ‘Maar allez jongens, wat kan ik daar nu in godsnaam aan doen?’.  En ze denken dat de politiek nu een keer alles kan oplossen hé, want vroeger probeerden de mensen zelf eerst een oplossing te zoeken, en als het niet ging, ah, dan gingen ze een keer bij de burgemeester trachten langs te gaan, of bij de pastoor of bij de notaris voor een keer te vragen:  ‘Mijnheer de Notaris of mijnheer de burgemeester, kun je gij niet helpen?’  Nu is er iets verkeerd, of het gaat niet zoals ze wensen, komen ze naar de burgemeester gelopen of naar het gemeentebestuur: ga je gijder dat een keer oplossen?  Waar dat we geen, waar dat we niets kunnen aan doen. Men zegt: de mens is mondiger geworden.  Ja, hij is mondiger geworden.  Maar alles flapt hij er nu uit hé.   En de politiek moet het maar oplossen.  En eerst probeert eerst zelf het op te lossen, en dan, als het niet gaat, kom dan een keer ervan praten, en we gaan dan een keer kijken wat we er kunnen aan doen. En dat werkt enorm op mijn systeem.  Dat je voor alles en nog wat verantwoordelijk gesteld wordt.  Ik zeg het: het zal komen, op het moment dat er een mug in de slaapkamer, in een wijk zit, ze gaan bellen naar de burgemeester: ga je ze komen doodslaan?

Tuurlijk, tuurlijk, ik heb die mug daar niet gestopt.

PV: Ah, die mug heb jij daar gestopt.  Dat had ik wel van u verwacht.

Ik bedoel: ik heb die daar niet gestopt, tuurlijk moet u die komen doodslaan.

PV:Neen, maar allez, het wordt eigenlijk een beetje simplistisch voorgesteld, maar zo ze denken dat… Alles moet nu maar opgelost worden door de politiek.  Is het nu van het laag niveau, van het lokaal niveau, tot de eerste minister.  Ja, maar jongens, laat ons allemaal samenwerken om er een gezonde en propere maatschappij van te maken, en niet met mallekaar  eigenlijk echt…  Want wat gebeurt er in onze maatschappij? Er is geen verdraagzaamheid meer, geen tolerantie meer.  Iedereen staat voor zichzelf, iedereen voor zijn eigen deur en daarmee basta, en zijn gebuur kan ontploffen. Ik vind dat zo’n triestige mentaliteit.  Ik vraag dat telkens in mijn nieuwjaarswensen aan de bevolking: aub mensen, kom een keer overeen.

En ze luisteren niet?

PV: Wel, iedereen is vrij van te doen wat hij wil. Maar… Is dat nu zo moeilijk om overeen te komen?  Want iedereen denkt van zichzelf dat hij de beste is, en we zijn allemaal niets. Op het moment dat dat tikkertje stilvalt, een kortsluiting heeft, dan zeg je ‘waarom?’  En dan begin je maar te redeneren.  En dat is…  dat ik ervaren heb.    Mijn hart is gekwetst, dat is een feit, een hartinfarct is een kwetsuur,  en we gaan er mee doorgaan, zeker.  Maar we moeten er een beetje naar leven.

Terwijl u voordien dacht: ah, ik ben de beste.

PV: Ik denk dat iedereen dat over zichzelf denkt.

Ja maar, dat is het probleem.  U zegt het.  Iedereen denkt ‘ik ben de beste en de ander kan ontploffen’.

PV: Neen, ik heb wel op bepaalde momenten een groot mond, )maar  ik denk dat mijn vrouw dat kan getuigen, ik heb zo’n klein hartje. Ik kan blaffen, maar binnenin is dat niet zo, ik ben eerder een bedeesd type.

Ja, maar u ziet er bedeesd uit.

PV: Ook al kom ik er anders uit waarschijnlijk, maar naar de buitenwereld toe ga ik dat trachten te verdoezelen, maar ik voel me niet altijd zo op mijn gemak. 

Is het waar?

PV: Want aan politiek doen, aan politiek doen, is soms een keer hard en wordt soms tot op het bot gespeeld, en daar voel ik me echt niet goed in. 

U wilt dat ze een beetje liever zijn voor u.

PV: Woh, liever zijn,.. ja, ja, ja. Dat kun je wel stellen.  Ik heb niet graag dat ze politiek voeren op de persoon.  En dat discussie over hebben met mijnvrouw, want normaal gezien wordt er hier nooit over politiek gepraat, maar als we dan een keer converseren daarover, zegt mijn vrouw: maar ge denkt dat.  Maar ik voel dat dan ook zo aan.

Ja, het is dat: hij ziet spoken waar er geen zijn hé.

Katrien: Ja, hij kan moeilijk kritiek verwerken, hij denkt altijd dat de kritiek die iemand anders heeft, dat dat persoonlijk gericht is, maar het zijn soms zijn ideeën, ze geven kritiek op zijn ideeën, niet op de persoon zelf.

Ja, ge moet u dat zo niet aantrekken.

Katrien: En dat is zijn fout, dat is zijn grote fout dat hij heeft. Hij denkt altijd dat hij persoonlijk aangevallen wordt en dat is geen waar hé.

Heeft de dokter dat ook niet gezegd?

PV: De dokter houdt zich niet bezig met politiek (lacht)  Die moet gewoonweg kijken naar mijn hart. Dat zijn geen spoken zien, ik voel dat zo aan.  Er zit daar waarschijnlijk wel waarheid in.

Maar u trekt zich dat allemaal te veel aan.

PV: Ja, maar ja, als ge een job doet, moet ge daar 150 % voor gaan, 200 % voor gaan.

Jamaar, ge moet daar niet in overdrijven ook. En vooral als… u zegt zelf dat u een klein hartje hebt. Zodus.

PV:  Dat is het karakter van de mens, dat is het karakter van de mens. Gelijk aan wat ik begin, wil ik dat altijd heel goed doen. Als ik een dossier lees, wil ik weten wat er in die dossier staat.  En ge kunt ook die dossier diagonaal gaan lezen en zeggen: ‘Ja, ik weet er wel een twa van.’  Natuurlijk, iets dat in jouw bevoegheid ligt, moet je beter kennen, dan een dossier die in de bevoegdheid ligt van de schepen van openbare werken, of de schepen van sport, jeugd of sociale zaken, en als ik me daar voor zet, dan wil ik dat ook helemaal onder de knie hebben.  En dat is misschien wel het verkeerde.

Dat gaat ook niet hé, want de politici die op nationaal vlak bezig zijn, en die dan nog 23 functies combineren en zo, die weten toch de helft van de keren niet waarover ze bezig zijn.

PV: Neen, maar die staan met meer mensen achter zich ook hé.  Als ik dan zie, bijvoorbeeld, minister-president Yves Leterme, ja jongens, die doet niets anders dan speeches gaan geven en lintjes gaan doorknippen, ja, ik denk toch niet dat die mens zelf zijn speech schrijft , neen, dat wordt allemaal voorgeknabbeld en gedaan, en zij zijn de veruitwendiging van hetgeen zijn administratie voor hem legt.  Ik moet alles zelf nog doen hé, want als we mogen verder doen zoals we nu bezig zijn, en ik mag nog burgemeester zijn, zeg ik toch: ik ga toch een secretaresse aanvaarden.

 

PV:…. Ik heb altijd gezegd na mijn hartinfarct: ’s voormiddags doe ik geen vergaderingen meer.  Ik ga op mijn gemak mijn praktijk doen, ik ga me niet meer opjagen, dan zetten ze daar een vergadering, en zeg je: ‘Hewel jongens, ik heb gezegd geen vergaderingen meer in de voormiddag’ .  Politiecollege. Maarja, mijnheer Bossuyt zegt: ik kan niet.  En ik zeg: Ik kan ook niet.  Ha ja, er moet één plooien.  En ik zeg: ik ga proberen van de donderdagvoormiddag.  En dat lukt maar niet.

 

PV: Aan politiek doen, er staat daar geen leeftijd op.  Als ge ziet dat ze in…

Jamaar neen, ik dacht gewoon aan uw gezondheid.  Dus u doet er mee verder gewoon?

PV: Jamaar, iedereen kan doodvallen hé.  Als ge nu aan politiek doet, of niet aan politiek doet,   als het moment komt dat je moet gaan, hewel luistert, dan gebeurt dat zo hé.  Maar het is niet omdat je aan politiek doet dat je eerder gaat doodgaan.

Bah, u vergroot uw kansen wel hé.

PV: Wie zal het zeggen?  Wie zal het zeggen?  Ge moet uw leven leiden hé, en inderdaad, waar een T voor staat, dat is teveel, dus alles met mate.

U was tot nu toe T veel burgemeester, en u zult dat een stuk minder worden nu.

PV: Ik zal proberen (lacht)  Ik zal proberen.  Ik zal het me niet zo meer aantrekken. Maar daar word je in feite in geleid door de mensen zelf.  Ze maken u…

Hoor je het mensen?  Laat hem gerust!  Dat kan helpen hé.

PV: Dat kan helpen.

 

PV: Goh jongens toch, ik ben zeer bedrogen geweest in het feit van euh…, ge zijt blij dat je burgemeester wordt, ik geef dat grif toe, niettegenstaande dat het moment dat ik burgemeester werd, dat ik een keer geslikt heb en gezegd: ‘Oeh. Wat nu?  Wat nu?’  Want dat is zo’n stap in het onbekende. En ik dacht: ‘Luister, ik ga hier wel een beetje de lakens uitdelen, en dat gaat wel gaan.’ Goh jongens, ik ben in niets meer bedrogen dan dat.  Ik wist niet dat dat zo’n lastige job was.   Ik dacht, ja, luister, we gaan dat hier wel regelen, en we gaan wij hier wel overeenkomen en we gaan widre wel…  Dat er moet  gediscuteerd worden, daar ben ik van overtuigd, maar we wel allemaal proberen op diezelfde rail te geraken… en oeh… ik ben daar zwaar in ontgoocheld geweest, echt waar.  Ik dacht: ‘Dat is een fluitje van een cent, en dat gaat wel allemaal in orde komen.’  En van de eerste weken heb ik een keer geslikt en gezegd: oe, dat is hier wat anders.  Ge moet politiek overeenkomen, hé, coalitie maken, dat is één.  Ge moet dan ook met uw personeel overeenkomen.  En dat is, ik moet eerlijk zeggen, dat is ook een zware dobber.

Maar bent u zo’n ruziemaker?

PV: Ik ben geen ruziemaker.  Maar als ik voor iets ga, dan ga ik ervoor.  En dan gaan ze moeten met goeie argumenten afkomen om mij op een ander idee te brengen.  Ik heb bepaalde principes.  Ik ga u een voorbeeld geven: als we een reglement maken, dan hou ik me aan het reglement.  En ben ik een moeilijke klant om daar wijzigingen op aan te brengen.  Als je een reglement maakt, dan moet je niet om de haverklap daar uitzonderingen op toestaan.

Maar ja, ge moet zo een beetje flexibel zijn hé.

PV: Luister, het beste in de maatschappij zou zijn dat er geen regels meer zouden zijn.  Ik ben tegen te veel regelgeving, zeker weten, zeker weten, maar als er regels zijn, moeten ze gevolgd zijn.  Ge stemt ze, de gemeenteraad stemt ze, hewel, dan moeten we allemaal daar achter gaan staan.  Iedereen komt uit, voor mij toch niet.  Ha neen hé mensen, voor mijn beste vriend en voor mijn grootste vijand – ik heb geen vijanden – voor iedereen is het gelijk Als er een wet is, dan is het  zo gemaakt.  Dat die wetten kan herzien worden.  Dat misschien.  Maar dan moet je veertien dagen later geen uitzonderingen toestaan.  Sorry, bij mij gaat dat er niet in.  Dan moeten ze geen reglementen maken.  Ik ben daar tamelijk categoriek in en rechtlijnig.

 

11:45 Gepost door Microman | Permalink | Commentaren (1) |  Facebook |

Commentaren

Kunt u mij een samenvatting sturen? Of bent u ook te lezen in boekvorm?

Groetjes,
GDB.

Gepost door: GDB | 06-03-06

De commentaren zijn gesloten.