06-03-06

CONSTANT SCHREEL EN DANIËL DOOM OP BEZOEK BIJ MAURITS BORLé

Ik zit bij Maurits Borlé in het gemeentehuis wanneer daar verwachts of onverwachts twee ex-wielerrenners binnenvallen.

 

Constant: We zijn vandaag 43 jaar getrouwd. 

MB: Zijt ge 43 jaar getrouwd?

Constant: Ja, vandaag.

MB: Ik ben vandaag 66 jaar oud.

Constant: Allez, proficiat. Maar het was godverdimme ander were of nu wè, in 63.

MB: Wij zijn getrouwd de 29sten december van ’62, en het heeft beginnen sneeuwen daags voor  kerstdag en de sneeuw heeft blijven liggen tot de 17de maart.

Constant: Als we koersten, er lag nog sneeuw hé.  En we geraakten ’s avonds bijna niet thuis, of ’s nachts.  We moesten van Ardooie komen in de sneeuw.

MB: Ja, het was toen wreed weer hé.

Daniël: Het was in ’63.

MB: In ’62-’63, dat was de hardste winter die we gekend hebben hé.

Constant: En aan de kust, de zee, de branding was vervrozen.

Burgemeester, stel mij eens voor aan die mensen.

MB: Dat is Daniël Doom, beroepsrenner geweest.

DD: Ex-beroepsrenner.

MB: Ex-beroepsrenner.

Constant:  Den Tour De France twee keer meegereden.

MB: Jaja, ze gaan dat dan vragen.  En hoe oud ben je nu Daniël?

Doom: Ik kom er nu 72. 

MB: En dat is Constant.  Ook goeie renner geweest.

Constant: Ik heb de Ronde van Frankrijk nooit gereden. Wel klassiekers gereden, maar de Ronde van Frankrijk nooit.

MB: EN hij is er nog, maar hij heeft een keer moeten uit een put gehaald zijn.   Paul Van Eenis, de oude schepen, heeft hem gered. Dat was aan de statieput zeker?

Constant: Dat was hier in de statieput, we gingen een keer naar de school niet gaan, en versmoord bijna.  Was Paul er niet geweest, ik was er niet meer, ik kwam voor den derde keer boven.  Ja, ik was tien jaar oud.

U zou nooit renner geworden zijn…

Constant: Nee, ik zou…

MB: Constant is twee jaar ouder zeker of ukkik.

Constant: Nee, ik ben een jaar ouder.  Ik kom nu 67.  Ik ben van 39 en gie van 40.

MB: En Willy Rinck is van 38.

Daniël: En ik ben van ’34.  We hebben altijd samen getraind hé, het was toen niet gelijk nu wè.

Constant: En den burgemeester was supporter van alle twee.  Maar het was een serieuze… Ge hebt zo van die fanatiekers hé.  Hij zei het gelijk dat het was.  Was het goed, was het goed, en was het slecht, het was slecht.  Het is best van al hé.

MB: Jij hebt nog in de Ronde van België lang op kop gestaan, bij de liefhebbers hé.

Daniël: Jaja, zes dagen, de laatste twee ritten heb ik de trui verloren. Toen won Ludo Debruyne.

MB: Maar in welk jaar dat dat was?

Daniël: In ’57.

Constant: In ’57 of ’58.

MB: En we reden wij toen met onze velo naar Ieper.  En dat was het ritje, Oudenaarde-Ieper, zeker eerst?  Een tijdrit op de Kemmelberg.

Daniël: Een tijdrit op de Kemmelberg.

Jaja, hij weet het nog allemaal hé.

Daniël: Jaja, ik weet dat nog.

Ja maar, de burgemeester ook hé.

Daniël: Hij was erbij hoor.

Maar waarom bent u dan zelf nooit wielerrenner geworden?  U reed zo ver om te gaan kijken, en…

MB: De een heeft zo’n capaciteiten en de andere…

Daniël: Dat was allemaal met de fiets hé.  De mensen die toen kwamen kijken, dat was allemaal met de fiets hé.  Auto’s in die tijd, dat reed nog niet…

Constant: Toen ik bij de liefhebbers reed, ik heb nog van hier naar Marke, geweest gaan koersen.  Veertig kilometers naar ginds, een koers rijden van zestig tot zeventig kilometers en met de velo weer naar huis.  Bij de liefhebbers zelfs ook nog: Tielt, overal, met de zak op de rug en vooruit, en nu moeten ze maar vijf kilometers ver en ze moeten met de auto.  Ja, het is toch waar hé.

Daniël: En ik heb altijd gaan werken tot in ’57, altijd met mijn velo naar Claeys, daar werkte ik.  Ik moest toen in de voormiddag nog werken en ’s namiddags naar de koers.

MB: Hij heeft nog de Tour de France gereden hé.

Daniël: Twee keer.  En de E3-Prijs heb ik ook gewonnen.  En Kortemark heb ik hier twee keer gewonnen, bij de beroepsrenners.

Dat was geregeld hier.

Daniël: Nee, dat was niet geregeld (lacht).

Als het niet geregeld is, dan zeggen ze dat ze rechtdoor rijden. 

Constant: Ik heb ook een keer rechtdoor gereden.  In een criterium in Moorslede, na de Ronde van Frankrijk.  Ik heb daar een keer gewonnen in ’62.  Hij had de Ronde van Frankrijk gereden en ze betaalden niet voor de start.  Hij zegt : Ik rij niet ook.  En ik mocht meerijden in zijn plaats, van de inrichters.   Maar ik reed…

Walter Ghekiere dan?

Constant: De inrichters van Moorslede?  Dat was een Gezelle, een coiffeur, één van de inrichters.   En ik reed toen voor de Solo, de Solo van Van Steenbergen.   In de ploeg.  En Van Buggenhout… En ik was een beetje geprikkeld hé, en ik liep weg, 20 ronden van het einde, 20 kilometers, en ze kregen me niet hé. En ik heb geen criterium meer mogen rijden.  Het was gedaan. Ik mocht geen meer rijden.  Maar ze hadden tegen mij niets gezegd hé.  Ze hadden niet gezegd: Die moet winnen of die moet winnen.  Dus, ik reed om te winnen.

En u mocht niet winnen?

Constant: En ik mocht niet winnen.  Mijn eigen ploegmaten mochten achter mij koersen, ze kregen mij toch niet.  Het was gedaan met criteriums te rijden.

MB: Er waren hier vele goeie coureurs hé.

Constant: Ge moet zeggen, in ieder parochie waren er drie, viere, of vijve.   Maar nu zie je dat niet meer hé.  Hoeveel jongens hebben er niet beginnen koersen?  Goh.  Maar het zijn niet allemaal coureurs hé, die willen koersen.

Daniël: Ze zeggen altijd: Het gaat misschien beter zijn of dat je moet werken, als je een beetje verdient.  Ge kunt altijd een frank verdienen hé.   Als ze nu twee koersen gewonnen hebben, ze zijn al content.  Ik won er vijf in een jaar bij de beroepsrenners.  Ja, ik moest altijd alleen toekomen hé, omdat je niet rap zijt.

En bent u nu al een beetje rap?

Daniël: Nee, ik ben nu nog trager, maar we fietsen nog alle zondage.   We hebben een club en we doen toch alle jare een zes à zevenduizend kilometer.

Constant: Welja, ik heb er ook rond de zevenduizend. Het is het eerste jaar dat ik er zovele rij precies.

Hoeveel hebt u er?  Ook zevenduizend?

MB: Neenee.  Veel minder.

Constant: Zevenhonderd zeker?  

MB: Ja, dat gaat er beter op trekken.

Daniël: Toen ik koerste had ik waarschijnlijk wel 35.000. per jaar.  Met de trainingen en al.  We deden wij veel koersen.  Het is nog geweest als ik uit de Ronde van Frankrijk was, veertien dagen, alle dagen gereden.  Alle dagen hé.  Maar ik kon goed mee hoor.  Den Tour de France, ik heb twee keer den derde gehad in een rit, en de eerste tien ritten was ik nooit uit de tien eerste weg geweest.  Maar ja, ik moest toen ook nog knecht spelen ook hé, en ik moest dan ook nog de sprint aantrekken voor ulder, dus ge moest haast beter zijn dan je kopman.  En achter drinken gaan.  Het is nu niet meer zo. 

MB: Ge ging toen nog achter drinken.

Daniël: Ba ja, we stonden wij daar in de cafés, te tappen en pullen vullen, en we waren were weg.  

Maar jullie hebben toch mooi verdiend met die carrière?

Constant: Ik ben gestopt omdat ik niet genoeg verdiende.

Serieus?

Constant: Jaja. Ik was al het derde jaar beroepsrenner.  Ik ben gestopt aan mijn 25.  Ik zag het niet meer zitten.  Als je maar moeten rijden voor je prijzen, man, en als je een beetje tegenslag hebt, of ge valt een keer plat, ge moet ze daar zelve leggen hé, er was niemand niet mee, of ge hebt een keer breuke of het één of het ander, hewel, je komt gij altijd maar naar huis…

Daniël: Ik heb een keer zo gevaren in Oostende.  We waren met twaalven weg, en de laatste twee ronden, ik viele plat, we waren zeker vijf minuten voor, ik was dus zeker de twaalfde.  Ik steek een ander wiel en ik had niemendal.  Ik had geen prijs noch niet.  Het was gedaan.  Het is toch al geld hé.

En hoe lang hebt u gekoerst?

Daniël: Ik zes jaar beroepsrenner.  In Parijs-Brusse waren we een keer met drieën weg, ik, Stablinkski en Simpson.

Naar waar waart u?  U was weg, naar waar?

Daniël: Parijs-Brussel.  We waren weg, we waren voor, negen minuten voor, nog met drieën

U was weg?  U deed niet meer mee eigenlijk?

Daniël: Weg, gow, we waren vooruit hé.  En euh, ik viel plat, en de auto was niet mee met mij, en ik heb dan een eind plat gereden, en tegen dat ik dan een ander wiel had, de andere twee waren weg, maar ze waren de eerste en den tweede hé.

En u had geen gsm bij waarschijnlijk?

Daniël: Dat bestond toen nog niet hé, Fred Debruyne volgde toen nog.  Voor de televisie. Fretten Debruyne, ja.

En u hebt toen waarschijnlijk gedacht van: was de gsm nu al maar uitgevonden.

Daniël: Maar dat lag aan de sportbestuurder hé. Ge moet niet bij de groep zitten die negen minuten achter is hé.  Ge moet bij de eerste zitten hé.

En waren jullie toen vrienden eigenlijk?

Constant: Ja, we trainden altijd samen.

Daniël: En we gingen op tijd één gaan drinken ook.

En doping?  Gebruikten jullie dat toen ook al?

Constant: Aspirientjes hé, wij gebruikten aspirientjes, voor het zeer in je hoofd.

Daniël: Ik had altijd een pulletje mee met whisky.

Ah, dat hielp?

Daniël: De laatste twintig kilometers, maarja, ge moeste tot daar geraken hé.

Omdat er toen veel bochten waren…

Daniel: Goh, ja, de doping, dat bestond toen nog niet hé.

Constant: Daniël, ze pakten zidre wel pillen hé, ha ja.  Er is nu meer gecontroleerd hé.  En ook, ze pakten toen een pille, en nu, wat is dat allemaal?

Nu slikken ze een vrachtwagen pillen.

Constant: Ze zeggen: ze pakten, ze pakten, maar er heeft nooit iemand iets gepakt.  Ze hebben het allemaal gekocht.

Daniël: Mijn koersvelo die ik nu heb is honderd keer beter dan ten tijde dat ik koerste.  En dat is normaal. Het materiaal is allemaal veel beter hé. 

Maurits: Wel, een goeie toeristische velo gelijk jullie, dat kost toch een beetje geld.

Constant: Maar ge hebt er die een maniak zijn van het materiaal. Die willen de perfectie èn van een velo.  Ja, als je daar grote liefhebber van zijt.

Daniël: Maar als ze niet meekunnen, we rijden ze er toch af hé.

Constant: Ge meugt gie een velo kopen van een miljoen, ge gaat gie toch moeten duwen hé, dat is geen avance.

En merk je dat? Zijn jullie nog altijd goeie renners eigenlijk, als jullie met de wielertoeristen gaan rijden?

Daniël: Ja, ze gaan er ons nog niet zo gauw afrijden.

Constant: Ik kan goed mee, maar als het te lastig, als het bergop gaat en zo, mijn tikker begint te zere te draaien, het gaat niet meer.

Daniël: Maar in diene tijd ben ik nooit op het gemeentehuis ontvangen geweest. Dat was toen zo.  Ge moest het toen zelve vragen.  Als ik naar de Ronde van Frankrijk ging, ze hadden gezeid voor ik naar de Ronde ging, ‘kijk, we gaan je inhuldigen,’ dat was toen meester Ghekiere, en achter de Ronde, ik had ze uitgereden, en ik zet hier aan in de koers, en ik kreeg hier een boeketje, dat was alles dat ik gekregen heb.  En weet je wat ze zeiden: ‘ge moeste dat zelve gevraagd hebben.’  Maar ge moet dat eigenlijk zelve niet vragen hé. 

Constant Schreel: Ik had een maat die zei: Rijden we niet goed, we voyageren toch goed.

Maar dat deed u ook, maar met de trein dan.

MB: Maar wij moesten op tijd rijden en het was niet gelijk in de koers.

11:08 Gepost door Microman | Permalink | Commentaren (1) |  Facebook |

Commentaren

Mag ik uw email adres en dan stuur ik een foto van Constant Schreel bij zijn overwinning in Dudzele

Gepost door: wilfried snauwaert | 12-11-12

De commentaren zijn gesloten.