24-02-06

PILLAERT IN RUSTHUIS TER LINDE IN GITS

U zag burgemeester Pillaert van Hooglede deze week onder meer op bezoek in Rusthuis Ter Linde in Hooglede.  Bij de ingang van het rusthuis stond hij meteen even stil, bij een kunstwerk dat daar een vaste stek.

 

JPP: En we hebben hier een kunstwerk van een West-Vlaamse kunstenaar, en ik vind dat nogal geslaagd, van Walgraeve, dus twee mensen die mekaar graag zien, en dat is volledig in het teken van Valentijn. En hier doen ze dat nog goed hoor. Spijtig genoeg hebben ze een wachtlijst, kunnen ze niet allemaal logeren, en ik heb de belofte gekregen van de zevende op de wachtlijst te staan.

Ah, u staat ook op de wachtlijst?

JPP: Dat is de belofte van de huidige OCMW-voorzitter ik sta fix, vast, de zevende.

En het moment dat u zegt: ‘Ik ben er klaar voor’.

JPP: Dan schuif ik op (lacht).

 

Iets verder hangt een bord met alle namen erop van de mensen die in het rusthuis verblijven.

 

 JPP: Dat zijn de inwoners hé, alle inwoners. Ge ziet, er zijn honderd kamers hé, we hebben praktisch geen kamers meer met één, euh twee bewoners, waar er twee zijn, praktisch allemaal één, daar is er daar één niet ingevuld, maar dat is omdat het kortverblijven zijn. We hebben ook kortverblijven, mensen die willen op vakantie gaan en één die misschien gestorven is. Heel die kamer wordt dan terug vernieuwd.

En bijna allemaal vrouwen hé?

JPP: Ja, maar de vrouwen zijn… Hoe wilt ge? Als man weet je toch ook dat een vrouw je moet overleven. ‘Doe dit’ en ‘Doe dat’, ze moet overleven, dat kan toch niet anders.

Ah, dat komt daardoor eigenlijk?

JPP: Ja, wist ge dat niet? Jaja.Dat zijn de vrouwen…

Ze maken ons eigenlijk kapot en…

JPP: ZE maken ons kapot. Ze gaan niet zo ver of sommige dieren, die eens ze gepaard hebben hun partner opeten. Dat doen ze niet, maar ze hebben een heel subtiele methode gevonden om dat te doen.

Ze doen ons ook dood, maar iets langzamer.

JPP: Iets langzamer, de pijn is groter (schatert). Maar kijk, dat is hier interessant, dat is hier het oude rustoord van Gits, en dat is interessant, want ge moet een keer kijken hoe dat de mensen toen in feite gelogeerd waren. Ze moesten meehelpen in de hof enzovoort, en dat is nog een foto die ze hier gehangen hebben. Ge ziet heel die andere stijl, dat was nog de stijl van de nonnekes, het rustoord met de nonnekes hé.

Of als ze niet braaf is, kunt u zeggen: Naar uw kamer!

JPP: Naar uw kamer, ja! Zie je, hier is dus het restaurant, dat schikken ze een beetje, en daar is het waar ze dus kunnen, de cafetaria, waar ze dus bezoekers kunnen ontvangen. We gaan eens doorlopen.

Burgemeester, doet dat ook niets, het feit dat u uw jeugdvrienden stilaan in rusthuizen moet gaan zoeken? Of is het nog niet zo ver?

JPP: Tochwel, sommige, die ik goed gekend heb, maar die waren toch wel ouder hé. En dan zegt ge: verdorie, ik zal ik toch zo niet komen zeker? Want ik ken hier een vrouw die fier was, de vrouw van een oude burgemeester, van een vroegere burgemeester, maar die is nu spijtig genoeg dement geworden en heeft een heel ander voorkomen gekregen. Dat was een heel fiere vrouw, zou nooit buitengekomen zijn zonder piekfijn in orde te zijn, en nu: het kan hier niet meer schelen. En dan zegt ge: ‘Kom ik ook zo?’ Met een groot vraagteken natuurlijk.

Maar u bent al zo.

JPP: Somtijds wel, ja, maar dan is het een beetje later op de avond, of na een feest.

 

In het cafetaria zijn enkele vrijwilligers aan het werk.  Ze bestellen drank.

JPP: Dat zijn de mensen, we kunnen niet genoeg hen dankbaar zijn, omdat ze vrijwillig komen werken, en ze houden hier de cafetaria open.

U zult dat dan ook doen?

JPP: Als ik hier ben. Ik ben de zevende op de lijst. Ik heb mijn vaste plaats, maar er mogen er voorgaan. Maar eens ik de zevende ben, en ben ik nog goed, zullen ze me opleiden, ik moet toch een job vinden hé.  Maar ik ga dus opgeleid worden hier, en gaan ze mijn kas tellen enzovoort. Want met een oude burgemeester moet ge altijd opletten hé.

Vrouw: Jaja, kijk, de boeken liggen erbij hé

JPP: Zie je wel.

Peetje: Dat mijnheer de burgemeester, hoe is dat met jou?

JPP: Maar hoe is dadde? Mo goed vent, goed, goed, goed.

Peetje: En ik zin blie dat ge het goed stelt.

Meetje: Dag mijnheer den burgemeester.

JPP: Kijk, dat zijn mensen die rustig nu hier nog een keer uitrusten, ik ga niet zeggen van de inspanningen, maar van de verlopen dag hé.

Peetje: Het is al twintig jaar geleden, de inspanningen. Ik ben in ’87 met pensioen gegaan, en het is 2007 tewege, het is 19 jaar geleden dat ik nog mijn werk had . Wel, ik heb dan thuis nog een beetje gewerkt, een beetje onderhoud.

JPP: Allez, stel het wel hé. En je compagnon, meugt ie hem niet drinken?  Neen?

Peetje: Ik heb ze dat geleerd, ik zegge, dat kost te veel geld een vroemiens, …

JPP: Goh… wuk een schande, wuk een schande, wuk een schande!  Ah, het zijn van die grote Westmalles dat ze drinkt. Zeg het beste hé. Tot ziens hé.

En zo gaat hij van tafeltje naar tafeltje, overal wat smalltalk verkopen.  Je ziet dat hij het gewoon is om hier en daar een praatje te slaan, zonder toch te blijven plakken.  Dat is een kunst die hij als burgemeester ten volle beheerst.  Even met de mensen praten, hen het gevoel geven dat de burgemeester tijd voor hen heeft, en toch voortmaken.

 

JPP: Hallo, hallo. Hoe is dat?

Mevrouw: Dat gaat.

JPP: Goed, allez. En ge zijt op bezoek gekomen allemaal?

Hij komt in ieder geval niet om stemmen te vragen.

JPP: Want ik stop toch hé. Ik stop toch.

Hij heeft er geen nodig hé.

Mijnheer: Moeder verblijft hier hé.

JPP: Dat is schone dat je een keer komt bezoeken. Dat is schone. En hoe lang zit je hier al?

Mijnheer: Twee jaar.

JPP: Twee jaar? En is het goed hier?

Mevrouw : Ba jaat. Ik kan kik niet klagen. Ik heb nog nooit geklaagd hé.

JPP: Dat is goed dat, dat is goed.

Mevrouw: En als je weg kunt nog.

JPP: Het is al dat je moet hebben hé. Maar nu niet buiten gaan hé, het is gletse hé, het is gletse. We zouden je moeten oprapen, en ge weet, ik heb niet veel macht.

Mijnheer: Heb je niet veel macht?

Neen, maar hij heeft veel connecties hé.

JP: (Lacht) Die kunnen het werk doen in mijn plaats hé. Allez, het beste hé.

JPP: Mo, wie dat we hier hebben. Hallo, hallo, hallo. Zie je op bezoek gekomen?

Mevrouw: Neen, het is mijn moeder die hier is.

JPP: En is ze hier al lang?

Mevrouw: Een jaar van vijftien september.

JPP: Een jaar van vijftien september?  Ja maar, gie komt om Leffe’s te drinken, ik zie dat.

Snor: Ze hebben geen Frishticks, dus ik zegge: ‘k ga moeten Leffe’s drinken hé.

JPP: Ah, ze hebben geen Frishticks, en ge moet Leffe drinken. Ah gie gotverblomme toch. Ge ziet wat voor een typen dat we hebben in Hooglede hé. Hé. Ze gaan waar dat weten waar dat ze Leffe’s kunnen drinken.

Madam: En waar dat het goedkoper is of elders.

Ah, het is hier goed omdat…

JPP: Jaja, het is hier formidabel. Allez, ik zal u laten. Hoe stel je het nog een beetje langs hier? Goed?

Zwarte vrouw: Goed, danke.

JPP: U spreekt al goed Nederlands. Ah, dat is wel dat, prima, prima.  Zeg tot ziens hé.

Zwarte vrouw: Ja, tot ziens, danke. Allez, moeder, tot ziens, het beste. Tot ziens hé.

In een aanpalend zaaltje is er een verjaardagsfeestje aan de gang.  En daar toont de burgemeester zich ook eens.  En natuurlijk willen ze daar meteen weten of hij niet bang is om in een zwart gat te vallen eenmaal hij geen burgemeester zal zijn.

 

 JPP: Misschien val ik in een gat, maar niet in een zwart gat hoor. Want ik zal wel een beetje naar hier komen, enzovoort. Waarom moet ik dat laten? Het is toch waar hé.

Ja maar, ik begrijp u niet helemaal.

JPP: Ge hebt verschillende gaten. Als ze een keer het deksel vergeten… Als ze me willen kwijt zijn, en ze laten het deksel open van de regenput, ja, dan val ik in dat gat hé. Maar andere gaten ga ik u niet vertellen, ge gaat niet alles weten.

 

Het is een familiefeest...  En zo komt het gesprek, hoe vreemd ook, op 'Familie', de soap.

JPP: En kijk je ook naar ‘Familie’? Het is dan dat ik weg moet van mijn vrouw, want ik sla er te veel mijn haak in.

Ah, u volgt dat zelf niet?

JPP: Ik mag niet hé. Ik mag niet hé. Mijn vrouw zegt: ‘Dat is mijne feuilleton.’ En het enigste dat ik kan doen is bellen naar mijn gebuur en vragen of hij kijkt naar ‘Familie’ en als hij zegt: ‘Nee, ik kijk niet,’ fles wijn, en dan drinken we samen die fles wijn op omdat we niet mogen kijken.

Ieder excuus om te drinken is ook goed u voor u.

Man: Mijn vrouw kijkt altijd naar ‘Thuis’, ze vindt dat beter dan ‘Familie’.

JPP: Ik weet het niet, ik ben niet veel thuis nog.  Mijn vrouw zegt: ‘Hij gaat altijd voor mijn voeten lopen, ze is daar zeer bang van’. Maar ik denk dat ik achter mijn vrouw ga moeten lopen, niet voor mijn vrouw. Zeg, mensen, feest geren… Tot ziens. : En hou het uit tot dat je honderd bent hé. Ik ben dan wel geen burgemeester meer, maar ik mag dan nog een keer komen kijken hé? Dat is goed dan. Het beste hé, tot ziens hé 

 

In het cafetaria zit een koppel op bezoek bij een omaatje.  De vrouw vertelt dat haar moeder het vooral moeilijk heeft met het feit dat ze 's zondags niet meer naar het theater kan.  Want dat deed ze vroeger altijd.

JPP: Zou ze nog kunnen zo aandachtig zijn, zo lange?

Schoonzoon: We gingen ze vroeger iedere zondag halen…

Lady in red: Maar dat was een wree liefhebber hé. Ze is nog naar Antigone geweest.

JPP: Ha ja, waar is de tijd? Ik was ook wreed liefhebber van burgemeester zijn, en het is ook gedaan, zodus. Salu hé.

Schoonzoon: Nog niet hé.

JPP: Hewel, nog negen maanden. Ge kunt een kleine kopen in die tijd. Tot dan hé.

Hoe oud wilt u eigenlijk worden?

JPP: Zo oud mogelijk. Op voorwaarde dat ik nog goed blijf. Ik bedoel niet dat ge dus…. Ja, fysisch kunt ge wel een beetje sukkelen, maar… met een stok moeten gaan, dat is allemaal niet zo erg, maar dat ik nog goed blijf.

Maar u bent nu al niet meer zo goed.

JPP: Neen, maar dat ik toch niet te… slechter kom. Neenee, ik bedoel maar, ik reis graag, ik heb u dat al gezegd, en ik zou nog graag tot aan mijn 75 met mijn vrouw reizen ondernemen. En nu ga ik tijd hebben.

Nog zeven jaar?

JPP: Nog zeven jaar. Want als ge 75 zijt, moet ge al veel geluk hebben. En dan, welja, als ge nog goed zijt, ik weet niet hoe ik dat zal opnemen.

U gaat nu eigenlijk 7 jaar verre reizen ondernemen?

JPP: Nee, geen verre reizen, Europa. Maar niet euh, Afrika of het één of het ander. Ik heb dat nog gedaan, maar dat doe ik niet meer. Ik heb nog zo veel te zien in Europa. We zien nog zoveel te weinig. We kennen Brugge nog niet, velen van ons, laat staan van de rest. Het is waar.

Ik weet het niet.

JPP: Nee, dat vind ik wel plezant. Maar wel reizen op een andere manier. Dat ge zegt, vandaag: ‘Ik heb geen goesting om ergens te gaan.’ Op hotel blijven of zoiets. ’s Anderdaags wel goesting, en dan gaat ge. Zo een beetje losjes weg. En hoe langer dat het duurt, des te beter. Maar ik zou niet willen, zoals er iemand hier was, toen ik burgemeester werd, achttien jaar, enfin, zeventien jaar en iets geleden, en ik deed ze allemaal en ik gaf ze allemaal een klein cadeautje, fin, een nietigheidje. En er was iemand die niet reageerde, en toen zeiden ze: ‘ze is doof en ze is blind’.  Dat zou ik niet graag tegenkomen, dan zijt ge afgesneden van de wereld. Dement worden, weet je niet hé. Want de andere mensen zeggen: ‘Het zijn dementen.’ Maar hoe beleven zij hun dementie? Niemand weet dat. Ook de dokters weten het niet. Maar blind zijn en doof zijn, dan ben je afgesneden van de wereld.  Te ware dat ge nog kunt filosoferen, maar ik denk niet aan die ouderdom dat je dat nog kunt.

En u ziet nog?

JPP: Een beetje, ik zie u wazig.

Hier ben ik! Hier ben ik!

JPP: Ik hoor je beter.

Ah, je hoort mij ook nog.

JPP: Ik hoor je ook nog. Zodus, bijgevolg, het is nog niet het moment hé. Het is nog niet het moment hé. Maar doof worden is niet zo erg, als ge selectief doof wordt.

Maar dat bent u al altijd geweest, vermoed ik.

JPP: Zo als ik altijd… Speelt u geen toneel?, zeggen ze, omdat mijn zonen toneel spelen. Maar ik zeg: ‘Ik speel elke dag toneel, moet ik nog in een toneelgezelschap gaan? Dat gaat toch niet hé’.

Ja, ze zeggen dat hé, ge moet zo een beetje kunnen, ja, in het West-Vlaams zeggen ze: toten trekken om in de politiek te gaan?

JPP: Jaja, maar toten trekken dan, in de overdrachtelijke zin van het woord hé, want euh, ge moet niet beginnen met (trekt gekke bekken)…  Maar neenee, ge moet toneel spelen, en toneel is een formidabel tijdverdrijf, als ge amateurtoneel hebt, maar langs de andere kant, als burgemeester moet ge ook durven zeggen waar het op staat, als het nodig is. Ge kunt wel een keer…, maar als het nodig is, moet ge durven zeggen waar het op staat. Als ge dat niet durft, gaat het faliekant in het nauw gedreven worden. Met de regering is het ook zo hé. Als ze niet durven zeggen waar het op staat… De mooiste zin was van Churchill, in het begin van de oorlog, toen hij zei: ‘Ik kan u niets anders beloven dan bloed en tranen,’ maar daarvoor moet ge ook Churchill zijn hé, en dat ben ik niet hé. Ik rook geen dikke sigaren, zodus, bijgevolg…

 

 

 

12:05 Gepost door Microman | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.