19-02-06

BURGEMEESTER PILLAERT EN ZIJN ZONEN

Eind dit jaar houdt burgemeester Jean-Pierre Pillaert er definitief mee op als burgemeester.  Dan zal hij meer tijd hebben voor zijn vrouw Nicole en zijn zonen Didier, Dominiek en Kristof.

 

 

JPP: Dat zal een enorme verandering zijn, sowieso, na achttien jaar.

Maar waarom stopt u er eigenlijk mee?

JPP: Goh, ik heb de ouderdom om te stoppen.  Ja…

U lijkt niet helemaal akkoord?

JPP: Nee, zij is niet helemaal akkoord, maar …

Mevrouw: Nee, maar ja.  Ik vind ook wel, ge kunt geen burgemeester blijven hé, dat gaat niet.

Maar u vindt hem nu nog te jong om te stoppen?

Mevrouw: Neen, te jong niet, te jong niet.  Ik vind, aan 68, dat ge mag stoppen eigenlijk. 

U bent wel akkoord eigenlijk?

Mevrouw: Ja, ik kan niet verder.

JPP: Nee, ze is wel akkoord op dat vlak, maar niet akkoord op een ander vlak, dat ze zegt, ge gaat voor mijn voeten lopen.  Maar eerlijk gezegd als ge dus, ge krijgt dus mensen bij u die in de dertig zijn, dat generatie, het is generatiepact, maar dat is het generatieconflict, het is geen conflict, maar verschil van visie…

Wrijvingen toch?

JPP: Ja.  Dan zegt ge: de ouderen moeten toch een keer plaats maken. Ik ben tegen zeer jonge mensen in de politiek, maar ik ben ook tegen zeer oude.   Het kunnen allemaal geen Adenauers zijn.  Maar aan 68 vind ik dat wel.  Achttien jaar als burgemeester, 36 jaar in de gemeenteraad, …

Mevrouw: Zeven jaar in het parlement.

JPP: Of zes jaar.  Ik weet het zelf niet meer.

Mevrouw heeft het bijgehouden hoor.

JPP: Jajaja, zij houdt de plakboeken bij.

Mevrouw: Het geheugen. Het geheugen.

Bent u eigenlijk, ja, trots op wat uw man gerealiseerd heeft?

Mevrouw: Ja, ja, ja.   Ik ging niet met alles akkoord, maar ik vind toch de dingen die hij gerealiseerd mooi en nuttig.

JPP: Het enigste wat ze, als ze niet akkoord ging, ze zei, ge moet dat en dat doen, en ik deed het op mijn manier, zei ze:  zie je wel, ik heb het gezegd dat je het zo moest doen.

Ah, eigenlijk was zij ook een beetje de burgemeester?

JPP: Ja, dat is het vrouwelijk trekje hé, ge kent dat hé.

Ja, maar ik ken dat zeker.  Ah maar, mevrouw, u bestuurt eigenlijk een beetje mee?

Mevrouw: Neenee, ik bestuur niet mee.  Ik bestuur juist zijn agenda.  Dat stuur ik. Als er afspraken te maken zijn. Ik help ze ook onthouden.  Dat is ook nodig.  Dus ik zeg gewoonlijk waar hij naartoe moet. Maar van politiek bestuur ik niet mee.

JPP: Dat belet niet dat ze af en toe een keer zegt: ik zou het zo doen.  Maar enfin, we gaan dat… Dat is dan tussen de vier muren. En dan geeft dat aanleiding tot somtijds wel discussies.

En hield vaak rekening met wat ze zei over bepaalde beslissingen?

JPP:  Soms wel, niet altijd.  En als het goed uitkomt voor mij, zeg ik ‘zie je wel’, maar als het slecht uitkomt, dan spreek ik er niet meer over.

Jullie hebben drie zonen, jullie hadden alleen het recept voor mannetjes?

Mevrouw: Geen meisjes dus.  Maar we hebben kleindochters. Dat is ook al iets.

JPP: We zijn overgestapt.  We zijn overgestapt.  We hebben vier kleindochters en twee kleinzonen.  In het begin was dat formidabel raar hé.  Toen ze een keer hier waren, een namiddag, en ze moesten de papfles hebben, dan zegden we : Hij heeft honger.  Hij begint te huilen.  Hij wordt wakker. Dat was altijd in het mannelijke dat we spraken.  Maar nu is dat wel voorbij. 

De opvoeding van de kinderen, dat was ook voor u?

Mevrouw: Ja.

JPP: Ja, absoluut, absoluut.  Ik kwam enkel en alleen tussen als ze zei: ‘Ge gaat een keer moeten kijken hoor, ze zijn stout geweest.’ 

Mevrouw: Dan waren ze kleiner hé.

JPP: Dan waren ze kleiner.  Maar de opvoeding zelf als ze ouder werden, als ze universiteit liepen, dan vertelden ze alles tegen de moeder en niets tegen de vader.  Of zo weinig mogelijk tegen de vader.  Zelfs nu nog vertellen ze alles tegen de moeder.  Dat is zo een beetje de toevlucht.

Ah, u hebt eigenlijk geen band met de kinderen?

JPP:  Tochwel, tochwel, tochwel. Maar ze gaan, ze hebben iets nieuws bijvoorbeeld, ze hebben een bepaald feit… En dan bellen ze eerst naar de moeder. En als ik dan zeg: Wat hebt ge verteld?  ‘Woh, niets speciaals,’ zeggen ze.  Ziet ge?  Maar ik heb een goeie band met mijn kinderen.

Maar als je dat zo hoort: wat heb je verteld, niets?  Doet dat niet een beetje pijn?  Heb je niet zoiets van: vertel dat eens aan mij.

JPP: Neen, want ik ken mijn echtgenote, uiteraard, er zou nog dat aan ontbreken, na 42 jaar.  Dan weet ik dat ze vroeg of laat dat zelf gaat vertellen aan mij.  Maar als ik dat direct durf te vragen, dan zegt ze: ‘Niets, niets speciaals.’

Mevrouw: Dat is ook niet altijd belangrijk, dat ze telefoneren. 

JPP: Ja, het zijn mensen van middelbare leeftijd geworden hé. 

Mevrouw: Het is best dat ze het niet horen.

JPP: Maar het is toch zo. De oudste is 42.  Hoe oud is hij? 42.  Of gaat op zijn 42. Wel ja, kom.

Mevrouw: Ik zeg daar altijd bij dat we vroeg getrouwd zijn hé.

JPP:  Dus moet ge geen vragen meer stellen daaromtrent. 

Ja, maar staat u daar veel bij stil, van : ‘Ons kinderen zijn ook al niet meer echt jong.’?

Mevrouw: Eigenlijk neen, neen.

JPP: We staan daar niet bij stil.  Want wat hebt ge?  Uw kinderen blijven altijd uw kinderen, sowieso.  Maar die kinderen hebben zelf kinderen en dan leeft ge mee met die kleinkinderen: ‘Hoe is het geweest op school?  En wat doet ge?’  Ik leef, ja, ik zal meer vragen aan de kleinkinderen ‘Hoe is het geweest op school?’, dan dat ik dat vroeg aan de kinderen.   Trouwens, met de kinderen moest ik me soms kwaad maken. Met de kleinkinderen gaat dat misschien ook komen…Maar enfin.

Ah, het waren geen goeie studenten?

JPP:  Tochwel, maar het waren wel nogal...  Als ik u vertel, één van mijn zonen is praeses geweest van Moeder Kortrijkse, dan vertelt dat genoeg hé. En de andere was veel kalmer. Moet ik wel zeggen.  Hij voetbalde. Hij voetbalt nog trouwens. Bij de ouderen. Ik zal het zo zeggen. Of bij de studaxen, hoe noemen ze dat? Maar de jongste en de oudste die spelen toneel. En nu gaan ze hier in productie, en ze spelen mee in een productie die ze opgezet hebben: ‘One Flew Over the Cuckoo’s Nest’. 

 

De zonen zijn een beetje in uw voetsporen gevolgd, of…

JPP:  Ja.  Ik zeg dat altijd zo.  Ik speelde graag toneel toen ik klein was. Maar ja, kindertoneel, …  Toen was ik weg en intern, toen was dat gedaan, maar ja, ik heb dat gecompenseerd met burgemeester te worden, dan speelt ge continu toneel hé.

Maar ook professioneel, zijn ze toch ook… Het leunt ook een beetje tegen de politiek aan van sommigen?

JPP: Dat is juist, en dat is voor mij een nadeel.  De gemeentewet kennen ze beter dan ik.   Want ze zijn er ganse dagen in.  Ik ben er ook ganse dagen in, maar details en ik niet. Ik herinner me nog toen ik mijn eed had afgelegd in de kamer, toen zei mijn tweede:  ‘Pa, ge hebt moeten uw eed afleggen op de grondwet,’ ja, en zegt ie, ‘en kent ge die grondwet?’  Ik kon hem bijna een vaag draaien.  Allez kom. De jongste die is werkelijk in mijn sporen gevolgd, die zit in de provincieraad,  maar hun hobby’s van de jongste en de oudste is dus toneel , de tweede is voetbal.  En dan gaat hij kijken naar zijn broers uit sympathie voor zijn broers, maar zegt ie: buh. 

Welke van de zonen lijkt er best op zijn vader?

Mevrouw: Hoe bedoelt u?  Van karakter of van uiterlijk?

Ja, doe beiden maar eens.

Mevrouw: Uiterlijk…

JPP: Uiterlijk heb ik er niets aan.  We zouden moeten een DNA-onderzoek gaan doen in feite (schatert)

Mevrouw: Ik denk, ik denk de oudste.

JPP: Van karakter.  De oudste heeft veel mee van mij.  Trouwens, het is heel eenvoudig, als mijn vrouw en zijn vrouw spreken over hun man, dan komen ze tot de conclusie dat we twee gelijkaardige typen zijn.

En dan klagen ze: die van mij is weer…

JPP: Dan klagen ze een beetje, somtijds.   Hij kan ook niet naar huis gaan.  Dat is ook het ambetante, maar ja, kom.

Mevrouw: Of, die van mij heeft weer niets gedaan in het huishouden.  Maar voor haar is dat natuurlijk erger.  Zij gaat gaan werken.  Ik niet, dus euh...

JPP: Maar van karakter zijn we nogal opvliegend een beetje, dat moet ik eerlijk zeggen.

Oei, ik zal opletten.

JPP: Het is niet altijd hé. Als ge rustig zijt, zijt ge niet opvliegend hé. Maar neen, als er iets op het gemeentehuis, als er iets niet gedaan is dat expliciet moest gedaan worden, of volledig verkeerd, ja, dan kan ik wel tegen het plafond zitten.  Dan moet ik zeggen…  Ja, ge ziet de bulten erin.

Ja, ik was het toch even aan het checken…

JPP : Maar langs de andere kant is het ook zo dat ik direct, de bladzijde is omgedraaid en het gaat direct over.  Dus het is van kortstondige duur.   Dus ik ben geen, alhoewel ik het zelf zeg, ik ben geen haatdragende persoon.

21:59 Gepost door Microman | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.